Categorieën
Bewustzijn Lijden

De verlammende angst voor hoogmoed

De grootste vijand van gezonde geestelijke groei zou weleens de angst voor hoogmoed kunnen zijn. We durven onszelf nauwelijks als zonen en dochters van God, als kinderen van de Allerhoogste, te zien. Zodra iemand zichzelf als zoon van God of als goddelijk beschouwt, kan gemakkelijk de vraag ontstaan of dat geen hoogmoed is.

Ook Jezus werd met deze beschuldiging geconfronteerd. Zijn spreken over zijn eenheid met God riep de aanklacht van godslastering op.

Maar is het werkelijk hoogmoedig om ons bewust te worden van onze goddelijke natuur? Of kan juist de angst voor hoogmoed ons verhinderen te ontdekken wie we in Gods werkelijkheid zijn?


Goddelijkheid vanuit het vlees of vanuit de Geest

Zolang we vanuit een verduisterd bewustzijn naar het vlees wandelen en ons vanuit die toestand als goddelijk gaan beschouwen, gaat het inderdaad mis. Johannes zegt daarover:

“God is Licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar tegelijk in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet.” (1 Johannes 1:5–6)

Gemeenschap met God betekent eenheid met God. Maar aan de vruchten kent men de boom. Wanneer mensen zichtbaar in de duisternis wandelen en tegelijkertijd hun eigen goddelijkheid breed uitmeten, zijn vraagtekens terecht. Zolang het ego zelf op de troon zit, zal het vlees zich daar nauwelijks tegen verzetten.

Dat betekent niet dat zo iemand van nature niet deelheeft aan de goddelijke werkelijkheid. Maar zolang iemand naar het vlees wandelt, kan deze werkelijkheid niet zichtbaar worden.

Zodra we ons echter uitstrekken naar het bewust worden van onze goddelijke natuur, begint het vlees zich als tegenstander van Christus in ons te verzetten. De oude mens voelt als het ware dat zijn laatste uur heeft geslagen.

“Wij zijn met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.” (2 Petrus 1:4)

Het verlangen om ons bewust te worden van onze goddelijke natuur is volkomen legitiem. Augustinus verwoordde het zo: “Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in God.” Dat ‘in God zijn’ mogen we verstaan als eenheid met God. Alleen daarin vinden we werkelijk rust.

Uiteindelijk zal God alles in allen blijken te zijn (1 Korintiërs 15:28). Dat kan alleen werkelijkheid worden wanneer ieder mens zich van deze goddelijke werkelijkheid bewust wordt. Om tot bewustzijn van onze Christus-identiteit te komen, moet het vlees — het valse zelf, het ego — worden gekruisigd.

Ook de angst voor hoogmoed kan vanuit het vlees voortkomen. Zodra die angst ons belemmert in ons verlangen naar meer van God, mag ook zij aan het kruis. Volmaakte Liefde drijft alle angst uit — dus ook de angst voor hoogmoed.


Waar komt de angst voor hoogmoed vandaan?

Daarvoor moeten we terug naar Genesis 3 en het verhaal van de zogenoemde ‘zondeval’. De slang — een beeld van het vlees, de aanklager en tegenstander van Christus in ons — zegt tegen de mens:

“Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.” (Genesis 3:4–5)

Deze woorden kunnen zo worden verstaan dat de mens van de verkeerde boom at omdat hij als God wilde zijn. Hoogmoed wordt dan verbonden met de verleiding om te willen worden als God.

Maar daarbij wordt iets fundamenteels over het hoofd gezien: de slang is ook hier de vader van de leugen. De slang staat voor het vlees, de oude mens die ons bestookt met gedachten die tegenover het denken vanuit de Geest staan.

Vanuit de Geest gezien bevat de uitspraak van de slang vier leugens.


De eerste leugen: ‘Gij zult niet sterven’

Vanuit het vlees lijkt dit waar. De mens valt immers niet onmiddellijk lichamelijk dood neer wanneer hij gehoor geeft aan vleselijke gedachten.

Geestelijk gebeurt er echter wel degelijk iets wat als dood kan worden aangeduid. De mens raakt het bewustzijn van de geestelijke werkelijkheid kwijt. Door de verduistering van het bewustzijn verdwijnt het zicht op de Christus-identiteit.

Dit is de eerste dood: niet het ophouden van het bestaan, maar het verliezen van het bewustzijn van wie we in werkelijkheid zijn.


De tweede leugen: ‘Uw ogen zullen worden geopend’

De ogen van de mens werden inderdaad geopend voor het onderscheid tussen goed en kwaad.

Vanuit de Geest gebeurt echter precies het tegenovergestelde: de geestelijke ogen sluiten zich. De mens verliest het zicht op de geestelijke werkelijkheid en daarmee op zijn Christus-identiteit.

Jezus van Nazareth kwam juist om de ogen van blinden te openen (Lukas 4:18): om zichtbaar te maken wat door het verduisterde bewustzijn niet meer werd gezien.


De derde leugen: ‘Gij zult als God zijn’

Vanuit het vlees moet de mens nog ‘als God’ worden. Vanuit de Geest is de mens echter naar Gods beeld en gelijkenis geschapen.

“Gij zijt goden.” (Psalm 82:6)

Jezus bevestigt deze woorden (Johannes 10:34).

Alleen vanuit het vlees kunnen we denken dat we nog ‘als God’ moeten worden, omdat onze ogen dan gesloten zijn voor onze Christus-identiteit. Op het moment dat we denken dat we goddelijk moeten worden, is de val in het bewustzijn feitelijk al ingetreden.

Daarom komt hoogmoed vanuit de Geest gezien niet vóór de val, maar ná de val. Hoogmoed ontstaat juist wanneer we vanuit een verduisterd bewustzijn proberen te worden wat we in Gods werkelijkheid al zijn.


De vierde leugen: ‘Kennende het goed en het kwaad’

Vanuit het vlees lijkt ook dit waar. Het bewustzijn van de mens raakt verduisterd en vanuit die verduistering gaan we onderscheid maken tussen goed en kwaad.

Deze verduisterde binnenwereld projecteren we vervolgens op onze buitenwereld en nemen we als werkelijkheid waar. We zien aan wat voor ogen is.

Op dezelfde manier kunnen we ons een beeld van God vormen vanuit ons verduisterde bewustzijn en gaan denken dat God, net als de gevallen mens, onderscheid maakt tussen goed en kwaad.

Vanuit de Geest bestaat de dualistische werkelijkheid van goed en kwaad, zoals wij die vanuit ons verduisterde bewustzijn waarnemen, niet. In God is in het geheel geen duisternis.

Als Paulus, wandelend in het Licht, niemand meer naar het vlees kende (2 Korintiërs 5:16), zou God, die in het ontoegankelijke Licht woont (1 Timoteüs 6:16), dat dan wel doen?


De bedekking moet worden weggenomen

De bedekking van het vlees moet verdwijnen, zodat we ons opnieuw bewust worden van onze Christus-identiteit en van het Koninkrijk van God.

Die weg loopt langs het kruis. Daar worden de vleselijke gedachten gekruisigd die ons gevangenhouden in een verduisterd bewustzijn. Wanneer we het vlees voor dood houden, is hoogmoed uitgesloten.

Juist wie zich ten volle bewust wordt van Christus, kent niemand meer naar het vlees en gaat zien dat Christus alles en in allen is (Kolossenzen 3:11).

In de Geest zijn we gelijk. Ieder mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. We zijn allemaal zonen en dochters van God. Wandelend in de Geest zal niemand zichzelf goddelijker achten dan een ander. We zijn allen één door Christus — en dat geldt ook voor Jezus van Nazareth.

Hij is ons in alles gelijk geworden zonder zijn doel te missen, opdat ook wij hem in alles gelijk zullen worden en tot ons doel zullen komen.


Angst voor hoogmoed houdt het Christus-Leven verborgen

Het probleem ontstaat wanneer we uit angst voor hoogmoed niet bewust durven worden van wie we werkelijk zijn. Zolang die angst ons bepaalt, kan zij het wandelen in de Geest belemmeren en blijft het Christus-Leven verborgen.

Werkelijke nederigheid betekent niet dat we onze Christus-identiteit ontkennen. Zij wordt juist zichtbaar wanneer we Christus in alles en iedereen gaan zien en onszelf daardoor niet boven een ander plaatsen.

Wanneer we onszelf bewust worden van onze goddelijke natuur, betekent dat dus niet dat wij goddelijker zijn dan anderen. Integendeel: we gaan ontdekken dat ieder mens naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is en deelheeft aan dezelfde Christus-werkelijkheid.


Jezus kende zijn Christus-identiteit

Jezus van Nazareth wist dat hij de Zoon van God was, omdat hij zich ten volle bewust was van zijn Christus-identiteit. Hij verkondigde het Koninkrijk van zijn Vader en leefde vanuit zijn eenheid met God.

Toen hij zei: “Ik ben het Licht der wereld”, was dat geen hoogmoed waarmee hij zichzelf boven andere mensen verhief. Zijn geestelijke ogen waren geopend voor wie hij werkelijk was: Gods geliefde Zoon, in wie God een welbehagen had.

Juist daarom zag hij andere mensen als zijn broers en zussen. Hij leefde niet vanuit partijschap, tweedracht of onderscheid, maar vanuit de Geest.

En daarom kon hij tegen anderen zeggen:

“Gij zijt het Licht der wereld.” (Matteüs 5:14)

En:

“Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.” (Johannes 20:17)

Wanneer Petrus belijdt:

“Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” (Matteüs 16:16)

plaatst Jezus Petrus vervolgens niet op afstand, maar spreekt hij hem aan vanuit dezelfde werkelijkheid:

“En Ik zeg u dat ook u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.” (Matteüs 16:18)


Van angst naar wandelen in de Geest

God bouwt zijn gemeente op mensen bij wie de geestelijke ogen zijn opengegaan, die zich bewust zijn geworden van hun Christus-identiteit en vanuit het rijk van de duisternis zijn overgegaan in het Koninkrijk van het Licht.

Wanneer we zo in de Geest wandelen, is het vlees gekruisigd en wordt hoogmoed uitgesloten. Dan hoeven we onszelf niet boven een ander te verheffen, maar kunnen we de ander uitnemender achten dan onszelf.

Jezus zegt:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in mij gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze.” (Johannes 14:12)

De angst voor hoogmoed kan ons ervan weerhouden de reikwijdte van deze woorden werkelijk te omarmen. Wanneer de gedachte dat wij net zo Christus zijn als Jezus van Nazareth weerstand oproept, mogen we onderzoeken waar die weerstand vandaan komt.

De weg om werkelijk “als hij in deze wereld te zijn” (1 Johannes 4:17), is onze angst voor hoogmoed los te laten en te wandelen in dezelfde zalving van de Geest waarin Jezus van Nazareth wandelde — in het bewustzijn dat deze zalving van de Geest in alle mensen, zonder onderscheid, aanwezig is.

Reflectievragen
  • In hoeverre belemmert angst voor hoogmoed jou om je volledig bewust te worden van je Christus-identiteit?
  • Zie jij Jezus vooral als iemand die boven jou staat, of als degene in wie zichtbaar wordt waartoe ook jij geroepen bent?
  • Wat zou er in jouw leven veranderen wanneer je zonder angst gaat wandelen vanuit het bewustzijn van Christus in jou?

Resoneert dit artikel bij je, of roept het vragen op?
Je bent van harte welkom om contact met ons op te nemen — we denken graag met je mee.

Samen bouwen aan bewustwording
Wil je helpen om deze boodschap verder te verspreiden? Met een vrijwillige bijdrage ondersteun je ons werk en maak je nieuwe artikelen mogelijk. Elke bijdrage, groot of klein, helpt ons enorm en wordt van harte gewaardeerd.


Wil je op de hoogte blijven van nieuwe artikelen?
Schrijf je dan hieronder in voor onze nieuwsbrief.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *