Een belijdenis van vertrouwen

1
Wij geloven dat God niet tegenover de schepping staat, maar haar oorsprong en dragende grond is. Wat bestaat, bestaat niet buiten God, maar in een werkelijkheid die vanaf het begin door het Leven van God wordt gedragen.

2
Wij hebben vertrouwen in Christus als de door de Geest gezalfde werkelijkheid die niet aan één lichaam gebonden is, maar alles omvat en als levende werkelijkheid alles doordringt. In Christus is niets op zichzelf staand, maar alles relationeel met elkaar verbonden en gericht op voltooiing.

3
Wij geloven dat in Jezus van Nazareth deze Christus-werkelijkheid zichtbaar is geworden — niet als onherhaalbare uitzondering, maar als openbaring van wie ieder mens in essentie is en geroepen is te zijn.

4
Wij vertrouwen op de Geest als de levende tegenwoordigheid van het Christus-Leven zelf. Wat wij ontvangen, is geen toevoeging van buitenaf, maar het ontwaken tot wat altijd al in ons aanwezig was.

5
Wij geloven dat verlossing niet bestaat in goddelijke vrijspraak van schuld, maar in bevrijding uit een verduisterde bestaanswijze. Het evangelie verkondigt geen verandering in God, maar een verandering in onze deelname aan Gods werkelijkheid.

6
Wij geloven in een transformatie als werkelijke deelname aan het Leven dat de schepping draagt. Waar vertrouwen groeit, wordt het Christus-Leven zichtbaar — in mensen, in relaties en in de wereld.

7
Wij vertrouwen erop dat de geschiedenis van de schepping niet beweegt naar haar ondergang, maar naar haar voltooiing: dat God alles in allen zal zijn. Wat vanaf het begin verborgen aanwezig was, zal dan volledig zichtbaar worden als de werkelijkheid van alles wat is.