Categorieën
Christus Jezus van Nazareth Koninkrijk

Het Christus-Licht dat ieder mens verlicht

Hoe de proloog van Johannes ons helpt het Johannesevangelie opnieuw te lezen

De traditionele lezing van de proloog

Johannes begint zijn evangelie op een andere manier dan de andere drie evangelieën. Hij vertelt niet over de geboorte van Jezus of het begin van zijn openbare optreden, maar neemt ons mee naar het allereerste begin, nog voordat de wereld bestond.

“In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” (Johannes 1:1)

Met deze woorden verwijst Johannes naar het scheppingsverhaal in Genesis. Hij beschrijft het goddelijke Woord, waardoor alles bestaat en waarin het Licht en het Leven hun oorsprong hebben.

Van oudsher heeft de kerk deze proloog gelezen als een beschrijving van Jezus Christus. Het Woord dat vanaf het begin bij God was, wordt geïdentificeerd met Jezus, de eeuwige Zoon van God. Wanneer Johannes in vers 14 schrijft dat het Woord vlees is geworden, wordt dit verstaan als de incarnatie: God is uitsluitend in de persoon van Jezus van Nazareth mens geworden.

Binnen deze traditionele lezing is Jezus op een exclusieve manier het vleesgeworden Woord en het ware Licht. Andere mensen kunnen dat Licht ontvangen, erin wandelen en het weerspiegelen, maar Jezus blijft de exclusieve bron en openbaring ervan.

Deze interpretatie heeft diepe wortels in de christelijke traditie. Ze heeft generaties mensen geholpen om in Jezus Gods liefde, nabijheid en trouw te herkennen. Tegelijkertijd bepaalt deze uitleg in belangrijke mate hoe we de rest van het Johannesevangelie lezen en hoe we als kerk of gemeente functioneren.

Wat zien we wanneer we door deze bril lezen?

Wanneer we de proloog op deze manier verstaan, verschijnt Jezus in het vervolg van het evangelie steeds opnieuw als de enige mens in wie God op unieke wijze mens is geworden.

Wanneer Jezus zegt: “Ik ben het Licht der wereld” (Johannes 8:12), horen we daarin de bevestiging dat hij als enige het waarachtige Licht is. En wanneer hij zegt: “Ik en de Vader zijn Eén” (Johannes 10:30), herkennen we daarin zijn exclusieve goddelijke identiteit als mens.

Vanuit deze manier van lezen komt de aandacht steeds weer bij Jezus terecht. Hij is degene in wie de Heerlijkheid van de Heer zichtbaar is geworden, degene naar wie wij opzien en degene die onze aanbidding waard is.

Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop we kerk-zijn verstaan.

Veel kerken hebben vanuit oprechte liefde en bewogenheid een pastorale en therapeutische bediening ontwikkeld. Mensen die beschadigd zijn geraakt door het leven, worstelen met schuld, angst of afwijzing, mogen horen dat God hen liefheeft. In Jezus ontdekken zij hoe diep die liefde van God gaat.

Dat is van grote waarde. Wie gekwetst is, heeft behoefte aan veiligheid, erkenning en liefde. Wie zich van God vervreemd voelt, mag ontdekken dat Gods liefde hem of haar nooit heeft losgelaten, omdat er in werkelijkheid nooit sprake is geweest van scheiding tussen God en de mens.

Toch kan hierdoor ongemerkt een eenzijdige gerichtheid ontstaan. Jezus blijft de enige die het goddelijke Licht is en openbaart, terwijl wij degenen blijven die dat Licht nodig hebben en telkens opnieuw mogen ontvangen. De kerk wordt dan voornamelijk een plaats waar mensen samenkomen om door Jezus bediend te worden, waardoor haar roeping om zelf de wereld te bedienen onvoldoende tot haar recht komt.

Daarmee kan iets op de achtergrond raken wat Johannes eveneens beschrijft: dat hetzelfde Leven en dezelfde Heerlijkheid die in Jezus van Nazareth zichtbaar zijn geworden, ook in andere mensen vandaag de dag, hier en nu, openbaar mogen en kunnen! worden.

Laten we de vertrouwde uitleg van de proloog even loslaten en opnieuw aandachtig lezen wat Johannes zelf schrijft. Wat ontdekken we dan over het Woord, het Leven en het Licht dat ieder mens verlicht?

Het Christus-Licht dat ieder mens verlicht

Laten we opnieuw kijken naar wat Johannes daadwerkelijk schrijft.

“Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is. In het Woord was het Leven en het Leven was het Licht van de mensen.” (Johannes 1:3–4)

Johannes richt onze aandacht hier op de universele werkelijkheid van het Woord, het Licht en het Leven. Alles wat bestaat, is door het Woord tot bestaan gekomen. Dat geldt dus ook voor de mens Jezus van Nazareth. Het Leven dat in het Woord is, wordt beschreven als het Licht van de mensen.

Laten we een moment stilstaan bij de volledige menselijkheid van Jezus. Hij was een mens van vlees en bloed, zoals wij dat zijn. De Hebreeënbrief zegt zelfs dat hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden (Hebreeën 2:17). Even daarvoor lezen we dat Jezus en zijn broeders “allen uit één” zijn (Hebreeën 2:11). We delen dus dezelfde goddelijke oorsprong. Jezus bevestigt dit na zijn opstanding wanneer hij spreekt over “Mijn Vader en uw Vader” (Johannes 20:17).

Waarom zouden we het eeuwige Woord, waardoor alles bestaat, dan vanaf het eerste vers uitsluitend met de ene mens Jezus blijven identificeren? Johannes spreekt immers over het Licht van de mensen, nog voordat hij de historische Jezus ter sprake brengt.

Vervolgens schrijft Johannes:

“Dit was het waarachtige Licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” (Johannes 1:9)

Dat is een opmerkelijke uitspraak. Johannes beperkt de werking van het ware Licht niet tot één mens, één volk of één religieuze gemeenschap. Het Licht verlicht ieder mens, dus ook Jezus van Nazareth, die als mens van vlees en bloed in alles aan zijn broeders gelijk is geworden.

Wanneer we deze woorden serieus nemen, zouden we de proloog van Johannes anders moeten verstaan dan we vanuit de traditionele uitleg gewend zijn.

Het Woord, het Licht en het Leven uit Johannes 1:1–13 beschrijven daarmee hoe God door zijn Woord (logos) de schepping tot bestaan brengt. God spreekt het Licht, waarin het Leven is, als het ware uit over de fysieke werkelijkheid die zo tot stand komt. De gehele schepping is daarmee de door Gods Geest gezalfde werkelijkheid: de Christus-werkelijkheid. Het is de goddelijke werkelijkheid waarin alles bestaat, waaruit ieder mens voortkomt en waarbinnen alles en iedereen met elkaar verbonden is.

Christus is dan geen exclusieve aanduiding voor de historische persoon Jezus, maar de universele werkelijkheid van Gods Geest, Liefde, Licht en Leven. Paulus spreekt niet voor niets over Christus, die “alles en in allen” is (Kolossenzen 3:11). Jezus deelt uiteraard volledig in deze Christus-werkelijkheid, maar niet exclusief als enige. Jij en ik, ieder mens, deelt in de door Gods Geest gezalfde werkelijkheid. Het unieke van Jezus is dat deze werkelijkheid in hem als eersteling tot openbaring is gekomen.

Vanuit dit perspectief draagt ieder mens in essentie de Christus-identiteit en het oorspronkelijke Christus-Licht in zich. Die identiteit ontstaat niet wanneer iemand tot geloof komt of wedergeboren wordt. Zij behoort vanaf het begin tot het diepste wezen van ieder mens die in de wereld komt. Wedergeboorte betekent dat onze ogen voor deze reeds aanwezige werkelijkheid worden geopend.

Hoewel dit Licht de bestaansbron van ieder mens is, betekent dat dus nog niet dat ieder mens zich daarvan bewust is.

Johannes schrijft immers ook dat de wereld het Licht niet heeft gekend en dat het niet werd aangenomen (Johannes 1:10–11). Het Licht is aanwezig, maar wordt niet vanzelf herkend. Paulus spreekt over een bedekking die over het hart ligt (2 Korintiërs 3:15–16). Jezus gebruikt het beeld van een lamp die onder een korenmaat wordt gezet (Matteüs 5:15). In beide beelden gaat het om Licht dat aanwezig is, maar niet zichtbaar wordt.

Pas vanaf vers 14 komt de historische Jezus van Nazareth werkelijk in beeld.

“En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid gezien, een Heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.” (Johannes 1:14)

Hier verandert het perspectief.

In de verzen 1–13 heeft Johannes gesproken over de universele werkelijkheid van het Woord, het Licht en het Leven, waarin alle mensen en alles wat bestaat zijn oorsprong vindt. Nu beschrijft hij hoe deze Christus-werkelijkheid in een concreet menselijk leven zichtbaar is geworden. Uit het vervolg wordt duidelijk dat het hier om Jezus gaat.

Jezus van Nazareth is de mens in wie het eeuwige Christus-Licht als eerste in de menselijke geschiedenis tot openbaring is gekomen. Zijn uniciteit ligt in de weg die hij heeft afgelegd en in de Heerlijkheid die in zijn leven zichtbaar werd. Die uniciteit betekent echter niet dat de Christus-identiteit als Licht van de wereld exclusief aan hem toebehoort.

De Griekse uitdrukking hōs monogenous para patros, “als van de Eniggeborene van de Vader”, beschrijft de Heerlijkheid die de getuigen in Jezus hebben aanschouwd. Het Griekse hōs duidt een vergelijking aan. Johannes zag in Jezus de Heerlijkheid van het goddelijke Christus-Licht zichtbaar worden, de Heerlijkheid die haar oorsprong heeft in het Woord (logos) en die het bestaan van ieder mens vormt. Dit Christus-Licht is de “Eniggeborene van de Vader“, de oorspronkelijke uitdrukking van God, waaruit de gehele schepping vervolgens tot bestaan is gekomen. Het klinkt al door in Gods eerste scheppingswoord “Er zei Licht!” (Genesis 1:3). In Jezus werd dit eeuwige Licht openbaar op een wijze die de menselijke verbeelding tot dan toe te boven ging.

Deze exegese van de proloog opent het werkelijke perspectief op het vervolg van het Johannesevangelie.

Als voorbeeld: vier passages die hierdoor een diepere betekenis krijgen

Johannes 3 — Wedergeboorte en ontwaken voor het Licht

In zijn gesprek met Nicodemus zegt Jezus:

“Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.” (Johannes 3:3)

Johannes verbindt wedergeboorte vervolgens met de Geest.

Wanneer we dit lezen vanuit Johannes 1:9, krijgt wedergeboorte een bijzondere betekenis. Het ware Licht verlicht ieder mens, maar als gevolg van een verduisterd bewustzijn zien we dat Licht niet en leven we er ook niet vanuit. Het Koninkrijk van God is immers al vanaf de grondlegging van de wereld aanwezig (Matteüs 25:34). Het gaat erom dat onze ogen opengaan voor deze goddelijke werkelijkheid, die er altijd al is geweest. Wedergeboorte is dan de beslissende overgang waarin iemand ontwaakt voor het Koninkrijk van God en daarmee ook voor zijn eigen Christus-identiteit, die vanaf het begin zijn diepste wezen vormt, zoals dat uiteraard ook bij Jezus het geval was.

Johannes 9 — De blindgeborene en het Licht van de wereld

De genezing van de blindgeborene is een van de meest veelzeggende gebeurtenissen in het Johannesevangelie.

De leerlingen vragen Jezus wie gezondigd heeft, de man of zijn ouders, dat hij blind geboren werd. Vanuit hun denken in termen van schuld en zonde herkennen zij het Christus-Licht in deze mensen niet. Jezus verlegt hun aandacht. De vraag naar schuld maakt plaats voor de openbaring van Gods werken. Het Christus-Licht wordt zichtbaar en de blindgeboren man krijgt zijn gezichtsvermogen terug.

Voordat Jezus de blindgeboren man geneest, doet hij een opmerkelijke uitspraak:

“Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld.” (Johannes 9:5)

Waarom benadrukt Jezus hier dat hij het Licht van de wereld is “zolang hij in de wereld is“?

Als Jezus vanwege zijn exclusieve goddelijke identiteit het enige Licht van de wereld zou zijn, dat ook alle mensen die na hem ter wereld komen moet verlichten, lijkt deze tijdsbepaling opmerkelijk. Zijn goddelijke identiteit zou immers niet ophouden wanneer hij deze huidige wereld verlaat. En nog belangrijker: wie is dan na zijn vertrek het Licht van de wereld? Wie zal het Licht zichtbaar maken voor alle mensen die nog ter wereld gaan komen?

Het antwoord vinden we in de proloog van Johannes zelf: het Christus-Licht is immers in ieder mens aanwezig. Het kan dus ook openbaar worden in de mensen die na Jezus in deze wereld leven. In Matteüs verwoordt Jezus het heel direct wanneer hij tegen zijn leerlingen zegt:

“U bent het licht van de wereld.” (Matteüs 5:14)

Het universele Christus-Licht is altijd aanwezig. Tijdens Jezus’ aardse leven wordt dat Licht voor het eerst in de menselijke geschiedenis in hem zichtbaar. Maar na zijn Hemelvaart, houdt het Licht in de wereld niet op te bestaan. Het kan en mag voortaan zichtbaar worden in en door de mensen die na hem in deze wereld leven.

Daarbij is vers 4 betekenisvol. Volgens de breed gedragen kritische Griekse tekstlezing staat er: Wij moeten de werken doen van Hem Die Mij gezonden heeft.

Jezus betrekt anderen dus al bij het werk dat vanuit het goddelijke Licht gedaan wordt. Het gaat om hetzelfde universele Christus-Licht dat in hem zichtbaar is geworden en dat ook in en door andere mensen openbaar kan worden.

De genezing van de blindgeborene krijgt zo tegen de achtergrond van de proloog een diepere betekenis. De man ontvangt zijn gezichtsvermogen, terwijl de religieuze leiders, die menen te kunnen zien, het Christus-Licht in mensen niet herkennen.

Maar er gebeurt meer dan een lichamelijke genezing. Ook zijn innerlijke bedekking verdwijnt. Het Christus-Licht gaat als de Morgenster op in zijn hart (2 Petrus 1:19), waardoor hij niet alleen met zijn natuurlijke ogen kan zien, maar ook met zijn geestelijke ogen het Koninkrijk van God begint te zien.

Wat als onze ogen opengaan voor het Christus-Licht dat in ons en ieder mens aanwezig is, zelfs wanneer de uiterlijke omstandigheden vooral gebrokenheid, angst of duisternis laten zien? Hoe zou dat onze manier van kijken naar onszelf en naar elkaar veranderen?

Johannes 14 — Dezelfde werken en de wederzijdse inwoning

Tijdens zijn afscheidswoorden doet Jezus nog een opmerkelijke uitspraak:

“Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.” (Johannes 14:12)

Jezus verwacht dus dat de werken die hij doet niet ophouden wanneer zijn aardse bediening eindigt. Integendeel, hij spreekt zelfs over grotere werken.

Zoals we bij de genezing van de blindgeborene zagen, gaat het om de werken van God die in en door Jezus zichtbaar worden. Diezelfde werken van God zullen nu ook in en door anderen zichtbaar worden.

Vanuit de universele Christus-werkelijkheid wordt deze gedachte begrijpelijk. Wat in Jezus als eerste zichtbaar werd, kan zich nu in vele mensen openbaren. De werking van het Christus-Leven wordt niet langer beperkt tot het leven van één mens.

Verderop zegt Jezus:

“Op die dag zult u inzien dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u.” (Johannes 14:20)

Dit is een van de meest indrukwekkende uitspraken over eenheid in het evangelie.

Jezus spreekt over een wederzijdse inwoning waarin God, Jezus en de leerlingen met elkaar verbonden zijn.

Hier wordt de werkelijkheid zichtbaar van één Geest, één Leven en één Christus-Licht, dat zich uitdrukt in vele unieke mensen, hetgeen in Jezus van Nazareth als eerste openbaar is geworden.

De historische Jezus verdwijnt dus niet uit beeld. Zijn unieke weg krijgt juist een diepere betekenis: hij heeft als eerste in de menselijke geschiedenis zichtbaar gemaakt wat het betekent wanneer een mens van vlees en bloed volledig vanuit deze goddelijke eenheid leeft. Wat in hem zichtbaar werd, mag op steeds grotere schaal gestalte gaan krijgen in het leven van vele anderen.

Johannes 17 — Dezelfde Heerlijkheid, dezelfde eenheid

In het zogenoemde hogepriesterlijke gebed bereikt deze beweging een hoogtepunt.

Jezus bidt eerst:

“En nu verheerlijk U Mij, Vader, bij Uzelf, met de Heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was.” (Johannes 17:5)

Vanuit de traditionele uitleg spreekt Jezus hier over zijn exclusieve pre-existentie als de eeuwige Zoon.

Jezus spreekt hier echter vanuit zijn Christus-identiteit, die haar oorsprong heeft in de eeuwige goddelijke werkelijkheid. Die Christus-identiteit is niet exclusief voor Jezus, maar behoort aan ieder mens toe. Ieder uniek zelf heeft zijn oorsprong in de Heerlijkheid van God, waarin wij reeds bestonden voordat de fysieke wereld er was.

Ook elders in de Bijbel vinden we verwijzingen naar deze werkelijkheid. Tegen Jeremia zegt God: “Voordat Ik u in de moederschoot vormde, heb Ik u gekend.” (Jeremia 1:5). En de psalmist schrijft: “Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien.” (Psalm 139:16).

Vanuit deze gedachte is de Heerlijkheid waarover Jezus spreekt niet alleen zijn oorsprong, maar de oorsprong van ieder mens.

Vervolgens bidt Jezus voor degenen die door het getuigenis van zijn leerlingen tot geloof zullen komen:

“Opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn.” (Johannes 17:21)

En dan volgen deze bijzondere woorden:

“En Ik heb hun de Heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals Wij Eén zijn.” (Johannes 17:22)

Het Griekse woord voor Heerlijkheid is doxa. Hetzelfde woord gebruikt Johannes in 1:14 voor de Heerlijkheid die in Jezus zichtbaar werd.

De Heerlijkheid die in Jezus zichtbaar werd, het Christus-Licht, behoort dus ook aan ieder ander mens toe. De eenheid die Jezus met de Vader ervaart, is dezelfde eenheid waartoe ieder mens mag ontwaken.

Hier raakt Johannes aan wat Paulus schrijft:

“Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de Heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van Heerlijkheid tot Heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.” (2 Korintiërs 3:18)

De spiegel nodigt ons uit om onze eigen diepste Christus-identiteit te herkennen. Wij hoeven niet buiten onszelf te zoeken naar de Heerlijkheid van de Heer om deze alleen in Jezus te zien. Wanneer de bedekking wordt weggenomen, gaan we zien dat ook wij, net als Jezus, een zichtbare uitdrukking zijn van die Heerlijkheid. De Heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader is niet alleen in Jezus zichtbaar geworden, maar wil ook in en door ons zichtbaar worden. Zodra we onszelf gaan zien als de Heerlijkheid van de Heer, begint de metamorfose van ons lichamelijke bestaan, waar Paulus over schrijft.

Van een gemeenschap die ontvangt naar een gemeenschap die gezonden is

Wanneer we het Johannesevangelie vanuit deze proloog lezen, verandert niet alleen ons beeld van onszelf. Ook ons verstaan van gemeente-zijn krijgt een nieuwe dimensie.

De kerk hoeft geen gemeenschap te blijven waarin mensen telkens opnieuw moeten horen dat God hen liefheeft, hoe waardevol die boodschap ook is. Zij mag een gemeenschap worden van mensen die ontdekken wie zij in hun diepste wezen zijn. Mensen die in Jezus niet alleen degene zien die tweeduizend jaar geleden de Heerlijkheid van God zichtbaar maakte, maar in zijn leven ook hun eigen bestemming als uitdrukking van die Heerlijkheid herkennen.

Jezus zegt in zijn gebed:

“Zoals U Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hen in de wereld gezonden.” (Johannes 17:18)

En na zijn opstanding:

“Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.” (Johannes 20:21)

Zoals Jezus zichtbaar maakte wie God is, zo worden zijn leerlingen gezonden om datzelfde Leven en Licht zichtbaar te maken. Het gaat om meer dan het doorgeven van een boodschap over hoe geweldig Jezus is. Het gaat om een manier van aanwezig zijn in de wereld, waardoor mensen ontwaken voor het Christus-Licht dat al in hen aanwezig is.

Dat verandert ook hoe we naar anderen kijken. We hoeven hen niet te reduceren tot hun gedrag, verleden of verwondingen, maar mogen voorbij de zichtbare gebrokenheid het goddelijke Leven herkennen dat volgens Johannes 1:9 ieder mens verlicht.

Een gemeenschap die vanuit dit bewustzijn leeft, biedt ruimte aan genezing, groei en transformatie, zonder mensen blijvend afhankelijk te maken van degenen die hen begeleiden. Pastorale zorg wordt dan een bedding waarin mensen tot hun bestemming kunnen komen.

Zo verandert de kerk van een plaats waar mensen voornamelijk komen om bediend te worden, in een gemeenschap van mensen die zelf als Christus beschikbaar worden om de wereld te bedienen.

Tot slot — Het Licht blijft schijnen

De proloog van Johannes biedt een sleutel om het gehele evangelie opnieuw te verstaan. Het universele Christus-Licht dat ieder mens verlicht, is in Jezus van Nazareth als eerste zichtbaar geworden. Zijn leven openbaart daarmee niet alleen wie God is, maar ook wie ieder mens in zijn diepste wezen is.

We hoeven onze Christus-identiteit niet zelf tot stand te brengen. We mogen ervoor ontwaken en leren leven vanuit de eenheid die aan alle zichtbare verscheidenheid ten grondslag ligt.

We eren Jezus om de unieke weg die hij als eersteling heeft afgelegd en de werkelijkheid van het Leven die hij voor allen heeft ontsloten. Onze aanbidding richt zich op God, die in Jezus zichtbaar is geworden en uiteindelijk alles in allen zal zijn.

Het Licht dat Johannes aan het begin van zijn evangelie beschrijft, is nooit verdwenen. Het verlicht ieder mens. En juist daarom mogen wij vandaag het Licht van de wereld zijn.

Reflectievragen
  • Wie ben ik werkelijk? Wat verandert er in mijn zelfbeeld wanneer ik besef dat het Christus-Licht al vanaf mijn oorsprong tot mijn diepste wezen behoort?
  • Met welke ogen kijk ik naar anderen? Kan ik voorbij iemands gedrag, pijn of gebrokenheid kijken en het goddelijke Licht herkennen dat ook in die ander aanwezig is?
  • Hoe krijgt het Christus-Licht gestalte in mijn leven? Wat betekent het concreet om, in navolging van Jezus, niet alleen het Licht te ontvangen, maar zelf als Christus beschikbaar te zijn voor de wereld?

Vind je dit artikel waardevol? Deel het gerust met anderen.


Resoneert dit artikel bij je, of roept het vragen op?
Je bent van harte welkom om contact met ons op te nemen — we denken graag met je mee.

Samen bouwen aan bewustwording
Wil je helpen om deze boodschap verder te verspreiden? Met een vrijwillige bijdrage ondersteun je ons werk en maak je nieuwe artikelen mogelijk. Elke bijdrage, groot of klein, helpt ons enorm en wordt van harte gewaardeerd.


Wil je op de hoogte blijven van nieuwe artikelen?
Schrijf je dan hieronder in voor onze nieuwsbrief.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *